mardi 13 juin 2017

Woordenschat; vocabulaire : algemene uitdrukkingen; expressions générales / video; vidéo / Nederlands; néerlandais

  • Vocabulaire : saluer, présenter, faire connaissance, rendre visite, prendre congé / Woordenschat : begroeting, voorstellen, kennismaking, bezoek, afscheid
  • Expressions générales / Algemene uitdrukkingen
  • Vidéo / Video
---------------
Vintage postcard : Boy giving girl flowers near bridge
https://www.flickr.com/photos/dutchgirl73/6833736037/in/photostream/lightbox/
----------------

VIDEO : algemene uitdrukkingen / VIDÉO : expressions générales



SCRIPT

Begroeting, voorstellen, kennismaking

Goedenmorgen!
Dag!/Goedendag!
Goedenmiddag!
Goedenavond!
Hallo!/Dag!
Hoe heet u?
Mijn naam is ...
Aangenaam.
Aangenaam kennis met u te maken.
Mag ik voorstellen? Dit is
  mevrouw X.
  juffrouw / mevrouw X.
  meneer X.
  mijn man.
  mijn vrouw.
  mijn zoon.
  mijn dochter.
  mijn vriendin.
  mijn verloofde.
Hoe gaat het met u/jou?
Dank u wel. En met u/jou?
Heeft u een prettige reis gehad?
Waar komt u vandaan?
Bent u hier allang?
Bent u alleen?
Bent u hier met uw gezin?
Logeert u ook in Hotel Astoria?
Bent u voor morgen al iets van plan?
Zullen we er samen heen gaan?
Wanneer treffen we elkaar?
Mag ik u afhalen?
Ik verwacht u om 9 uur
  voor de bioscoop.
  op het plein.
  in het café.
Laat u mij alstublieft met rust.

Bezoek

Neemt u mij niet kwalijk, woont hier meneer/mevrouw/juffrouw X?
Nee, hij/zij is verhuisd.
Weet u waar hij/zij nu woont?
Kan meneer/mevrouw/juffrouw X spreken?
Wanneer is hij/zij thuis?
Kan ik een boodschap achterlaten?
Ik kom later nog eens langs.
Komt u binnen.
Neemt u plaats, alstublieft.
Ik moet u de groeten doen van Paul.
Wat kan ik u te drinken aanbieden?
Wilt u iets drinken?
Dank u wel.
Proost!
Kunt u niet blijven lunchen?
Kunt u niet voor het avondeten blijven?
Dank u. ik blijf graag als ik niet stoor.
Het spijt me, maar ik moet gaan.
Smakelijk eten!
Het heeft goed gesmaakt.
Dank u voor de prettige avond.
Ik hoop u gauw weer te zien.
Ik laat nog van me horen.

Afscheid

Tot ziens!
Tot gauw!
Tot straks!
Tot morgen!
Welterusten!
Dag!
Het beste!
Dank u wel, hetzelfde!
Goede reis!
Doet u Jan de groeten van mij.
---------------


VIDEO 'Algemene uitdrukkingen / Expressions générales'  sur Pinterest : https://fr.pinterest.com/pin/319051954842217117/
VIDEO 'Algemene uitdrukkingen / Expressions générales' également disponible dans la Communauté Google+ NT2 (learn Dutch) : https://plus.google.com/u/0/108124208986236102370/posts/2MB4DhtAYq2

mercredi 12 avril 2017

Woordenschat : werkwoorden (verba) [2]; verbes / vocabulaire / Nederlands; néerlandais

  • Verbes néerlandais / Nederlandse werkwoorden, Nederlandse verba
  • Vocabulaire néerlandais / Nederlandse woordenschat
----------------
Silhouet : Keizersgracht, Amsterdam
---------------

Nederlandse werkwoorden (verba)
Verbes néerlandais


Document 'Werkwoorden (verba)sur Pinterest : https://fr.pinterest.com/pin/319051954839459226/
Document 'Werkwoorden (verba)' également disponible dans la collection  Google+ Woordenschat & oefeningen : https://plus.google.com/u/0/108124208986236102370/posts/bkVN3dneoAF


WOORDENSCHAT

drinken : boire
oversteken : traverser
leiden, aanvoeren : diriger, mener
besturen : conduire [un véhicule]
slaan : frapper
(op)tillen : soulever, lever
eten : manger
huppelen : sautiller
afsluiten : fermer à clé
drijven : flotter
jongleren : jongler
kijken [naar] : regarder
vliegen : voler
springen : sauter
marcheren : marcher au pas, défiler
(op)vouwen : plier
(tegen de bal) schoppen : donner un coup de pied (dans le ballon)
mengen : mélanger
volgen : suivre
kloppen : frapper [à la porte]
zwabberen, dweilen : nettoyer avec un balai à franges, passer la serpillière (sur)
geven : donner
lachen : rire
opendoen, openen : ouvrir
schaatsen, schaatsenrijden : patiner
vegen, bezemen : balayer
(rechts) afslaan : tourner (à droite)
(rond)dartelen : gambader, sautiller
zwemmen : nager
lopen, stappen, wandelen : marcher, se promener
slapen : dormir
schommelen : se balancer
afwassen, de afwas doen, de vaat doen : faire la vaisselle
(af)glijden : glisser
nemen : prendre
wuiven : saluer de la main, faire signe de la main
niezen : éternuer
spreken, praten : parler
afvegen : nettoyer, essuyer
(de bal op zijn vingertop) laten (rond)draaien : faire tourner la balle (sur le bout de son doigt)
vertellen : raconter
werken : travailler
staan : être debout
gooien, werpen : jeter, lancer
schrijven : écrire
blijven staan, stoppen : s'arrêter, stopper
(zijn veters) vastmaken, strikken : nouer (ses lacets)
gapen, geeuwen : bâiller